Ik zat in Suriname in het ziekenhuis om iemand op te zoeken. Ik wachtte nog op een kennis om samen verder te gaan en doodde mijn tijd door de krant te lezen. Het was in interssant stukje over alcohol misbruik in Suriname. Een steeds groter wordend probleem. Ik zat te lezen op een bank in een gang en tegenover mij zaten er twee creoolse dames op een andere bank te praten.

Op een gegeven moment liep een koppel door deze gang naar het andere uiteinde van de afdeling. Van achter mijn krant keek ik even op om te zien of degene op wie ik zat te wachten aankwam. Toen ik een jongen en meisje hand in hand zag lopen, wilde ik verder lezen toen toevallig mijn blik viel op één van de creoolse dames die zo intens met afgunst keek naar het koppel. Ik snapte het niet en keek weer naar de jongen en het meisje en snapte het toch niet. Kent zij hen en heeft ze ruzie of problemen met hen; dacht ik.

Opeens zei haar vriendin naast haar, ‘samepsa’ (wat is er nou aan de hand). Waarop zij in het sranangtongo antwoordde dat ze niet snapt waarom dat meisje geen goede neger kon vinden. Ik keek weer naar het koppel dat al een aantal meter verder was gelopen en dit gesprek niet hoorde of koos te horen. Toen besefte ik dat het meisje een creoolse was en de jongen hindustaans. De vriendin zei, als ze van elkaar houden en gelukkig zijn, wat maakt het dan toch uit?  Waarop de racistische vriendin antwoordde dat het beter zou zijn als ze gelukkig zou zijn met een creool.

Ik keek afkeurend naar deze dame. Toen ze mijn blik zag, ging ze verder zacht praten. Te zacht voor mij om haar te verstaan. Aan haar blik zag ik dat ze het jammer vond dat ik haar gesprek had gehoord. Tenminste, zo leek het. Ik was net op het punt om mijn krant verder te lezen toen mijn kennis aankwam. Toen was het tijd om uit deze negatieve sfeer te stappen.